Johan David Zocher jr. (1791 – 1870)

J.D. Zocher jr. is de bekendste van de Zochers, en niet zonder reden. Zijn talent blijkt al op jonge leeftijd wanneer hij als 18-jarige de Prix de Paris wint, een door Lodewijk Napoleon uitgeschreven prijsvraag die veelbelovende jonge kunstenaars de mogelijkheid biedt in Parijs te studeren. Hier volgt hij een opleiding in de klassieke architectuur aan de Ecole des Beaux Arts, in het atelier van de befaamde Franse architect Hippolyte le Bas. Op 23 november 1809 is “le jeune Zocher” in Parijs aangekomen en begonnen aan zijn studie. Hij maakt deel uit van een groep van dertien jonge talenten, die verdeeld zijn in vijf groepen: historieschilders, landschapsschilders, graveerders, beeldhouwers en architecten. J.D. Zocher jr. studeert in Parijs niet met de minsten; in het groepje architecten zit Jan de Greef en de bekende landschapsschilder Knip is ook een studiegenoot. In Parijs werkt J.D. Zocher jr. onder andere aan schetsen voor een vuurtoren, wat zijn veel latere – niet helemaal binnen het Zocher-oeuvre passende – ontwerp voor de vuurtoren J.C.J. van Speijk in Egmond aan Zee verklaart.20

J.D. Zocher jr. wint in Parijs de Prix de Rome en verruilt de Franse hoofdstad na drie jaar voor Rome, waar hij zijn kennis over klassieke architectuur verder uitdiept door Romeinse ruïnes te bestuderen. Na reizen in o.a. Frankrijk en Zwitserland keert J.D. Zocher jr. in 1815 terug naar Nederland. Zijn eerste bouwopdracht betreft een pand aan de Nieuwestad in Leeuwarden, de stad waar zijn zus woont en waar J.D. Zocher jr. vermoedelijk logeert na zijn verblijf in Rome. In 1816 maakt J.D. Zocher jr. een ontwerp voor de zijtuin bij de nieuwe koningsvleugel van paleis Noordeinde in Den Haag, een prestigieuze opdracht voor de jonge architect.

Portret van Johan David Zocher gemaakt door Johan Coenraad Hamburger in 1841

Coll. Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-T-1940-413

Grafmonument J.D. Zocher jr. op de begraafplaats Akendam;

foto door M. den Engelse, jaartal onbekend

In 1817 overlijdt zijn vader, die op dat moment aan het park van Paleis Soestdijk werkte. J.D. Zocher jr. vestigt zich te Haarlem en wordt aangewezen als opvolger op Soestdijk. Zijn Parijse studiegenoten uit het architectengroepje, De Greef en Reijers, worden ook aangesteld, als bouwarchitecten. J.D. Zocher jr. erft kwekerij Rozenhagen en neemt de voogdij van zijn twee broers Karel Georg en Michael Georg op zich. In 1819 trouwt J.D. Zocher jr. de weduwe van zijn vriend Penninck Hoofd, Amy May van Vollenhoven. Zij wonen op de buitenplaats van Penninck Hoofd, het Haarlemse Akendam, waar een jaar later zoon Louis Paul wordt geboren. J.D. Zocher jr. heeft in deze periode diverse opdrachten. Aanvankelijk in de omgeving van Haarlem, maar steeds meer in heel Nederland. Zijn ster rijst snel. Vanaf 1820 krijgt hij veel opdrachten voor parken en landhuizen en wordt hij lid van verschillende prestigieuze instellingen, waaronder de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (sinds 1822), het Royal Institute of British Architects (sinds 1838) en het Koninklijk Nederlands Instituut, de latere KNAW (1835) en het Genootschap Kunsten en Wetenschappen te Utrecht (sinds 1840). In 1845 wordt hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In 1846 overlijdt Amy. In 1849 hertrouwt J.D. Zocher jr. met weduwe De Waal Malefijt, Johanna Jacoba Ratelband (1805-1891). In deze periode begint hij met zijn zoon Louis Paul de firma Zocher, later de firma J.D. en L.P. Zocher. Wanneer hun samenwerking exact begint is onduidelijk. Vanaf 1850 worden alle ontwerpen ondertekend met “Zocher” of “J.D. en L.P. Zocher”, in plaats van met “J.D. Zocher jr.”, hoewel Louis Paul vermoedelijk al eerder een aanzienlijk aandeel in de werkzaamheden van zijn vader had. In 1869 werkt J.D. Zocher jr. nog met zijn zoon aan een ontwerp voor het Amsterdamse Vondelpark en een ontwerp voor begraafplaats Zorgvlied. In 1870 overlijdt hij en wordt begraven op begraafplaats Akendam, die hij in 1828 zelf ontworpen had op de vroegere buitenplaats van zijn eerste vrouw.

Werkwijze en ontwerpstijl

J.D. Zocher jr. is een van de belangrijkste en meest productieve vertegenwoordigers van de late landschapsstijl in Nederland. Zelf maakt hij in een briefwisseling met een opdrachtgever, de eigenaar van Twickel, de opmerking dat hij zes van dat soort (vrij omvangrijke) opdrachten per jaar aan kan, wat veel is aangezien hij opmerkt dat alleen al het afreizen naar Twickel per diligence zes dagen kost.21 Op locatie werd het werk dan ook uitgevoerd onder dagelijkse leiding van voormannen. Een exemplarisch voorbeeld hiervan is Jacobus Hogeweg (1799-1881) die ruim 20 jaar als “opzigter” voor J.D. Zocher jr. werkte onder andere op toonaangevende aanlegprojecten als Hof te Dieren (1822), Twickel (1835) en Keppel (1835).22 Bovendien delegeert J.D. Zocher jr. waar nodig en werkt hij intensief samen; tot circa 1835 veelvuldig met zijn broer K.G. Zocher en later met zijn zoon L.P. Zocher. Over zijn broer Karel schrijft hij: “[I]k zond hem nimmer als met mijn bepaalde orders, en wel overtuigd, dat hij dezelve kon uitvoeren, ik doe zulks ook bij gelegenheid op alle werken, en kan daarin niet wel andere schikkingen maken.”

J.D. Zocher jr.’s ontwerpen geven een geïdealiseerd en harmonieus landschap weer, dat wordt gekenmerkt door glooiingen, waterpartijen, rondwandelingen met afwisselend dichte bosschages en open ruimten en – hierin verschilt zijn stijl van de vroege landschapsstijl die zijn vaders ontwerpen karakteriseert – onbegrensde uitzichten. Zijn ontwerpen zijn letterlijk grootser dan die van zijn vader, omdat hij meer dan J.D. Zocher sr. het omringende landschap bij zijn ontwerpen betrekt. Nog een kenmerkend verschil is dat, hoewel ontwerpen van sr. en jr. even gekunsteld zijn, die van jr. iets vanzelfsprekender en natuurlijker aandoen omdat ze vrijer van vormgeving zijn. De paden verliezen bijvoorbeeld de geometrische basis en zijn minder pregnant aanwezig in de parkaanleg. J.D. Zocher jr. hield zich weinig bezig met bloembeplantingen, die tijdelijk zijn, decoratief van karakter, makkelijk inwisselbaar en tevens vaak door eigen tuindiensten werden verzorgd, bedacht en veranderd.

Vuurtoren J.C.J. van Speijk in Egmond aan Zee ontworpen door J.D. Zocher jr. in 1834, getekend door Paulus Lauters, 1841

Coll. Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-P- OB-88.726

Presentatietekening van een klein landhuis of villa in neoclassicistische stijl in een parkaanleg in landschapsstijl getekend door J.D. Zocher jr.

Coll. Het Nieuwe Instituut, inv. nr. ZOCH.110611631

Amy Geertruida de Leeuw (1843-1938), stief-kleindochter van J.D. Zocher jr., schrijft in 1917 hierover onder haar pseudoniem Geertruida Carelsen:

“[h]et lag niet in zijn aard, zich met bloemkweekerij veel in te laten, althans niet, daarmee te beginnen. […] Zijn beste zorge besteedde hij aan hoogopgaand geboomte. Daaraan sloot zich die voor lager hout aan; voor boschjes van grovere en fijnere heesters, in geschikte groepeering hoeken vullend, wanden en bemantelingen vormend, muren bedekkend, stijve lijnen brekend. Wat de kleine bloeiende planten betreft, die speelden onder zijn beheer niet veel gewichtiger rol dan de veldbloemen in een gewoon landschap. Ze waren er, zeker; en ze werden ook wel aangekweekt, ter wille van haar geur en kleurenspel; maar de bloemkwekerij stond niet zoo hoog als thans; en hoe de kleine bloemgewassen eigenlijk naar den eisch van een Engelsch park in een tuin dienden gearrangeerd te worden, werd tamelijk wel in het midden gelaten.”

Tekenend hiervoor is het ontwerp van J.D. Zocher jr. uit 1835 voor kasteel Keppel waarin het “bloemige karakter” van het hoofdmoment van de aanleg (de diagonale zichtas op de brug over de Oude IJssel) in eerste instantie hiermee in tegenspraak lijkt te zijn. In de vrachtbrief van de geleverde planten door de eigen kwekerij op Rozenhagen is sprake van onder andere 150 dahlia’s (in 50 soorten), violieren, lelies en “maandrozen in potten”. Het bloemige karakter wordt echter vooral bepaald door bloemdragende heesters zoals hortensia’s, azalea’s en bomen zoals 20 “grote Castanje Quina”, een grote tulpenboom aangevuld met 75 “pakken met diverse plantsoen”, 85 pakken met “groenblijvende heesters” en naaldhout (zilverspar, balsemspar, fijnspar en wymouthden).

Download de volledige publicatie